De organen van de duif

De organen van de duif

De organen van de duif: De longen duiven zijn betrekkelijk klein en niet rekbaar zoals bij de zoogdieren. Ze bestaan uit een aantal luchtkanaaltjes, die zich weer vertakken in zeer dunne haarvaatjes die zeer bloedrijk zijn. De longen zitten vast aan de wervelkolom, ongeveer in het midden van het lichaam, en zijn verbonden met vijf paar luchtzakken. Deze dunwandige zakken vullen de ruimten tussen de organen op., waardoor ze een zekere bescherming bieden aan de organen.

De luchtzakken zijn in paren over het lichaam verdeeld, waarvan het achterste paar het grootst is. Een duif die vliegt, trekt bij de neerslag van de vleugels de borstspieren krachtig samen, waardoor de inwendige lichaamsruimte samengedrukt wordt en de luchtzakken wat verkleind worden. De lucht wordt dan via de longen naar buiten geperst. Bij de opslag van de vleugels ontspannen de spieren zich. De luchtzakken worden dan via de longen weer gevuld met lucht. In de luchtzakken bevinden zich zeer weinig bloedvaten, waardoor er weinig zuurstofopname plaatsvindt.

De longen daarentegen zijn zeer bloedrijk, vooral in de talrijke haarvaten, die de zuurstof opnemen en het koolzuur afgeven. Als een duif in rust is, worden de ribben bewogen door spieren die de lichaamsholte samenpersen en weer ontspannen, waardoor mede de luchtzakken worden samengedrukt en zich vervolgens ontspannen, zodat er uitwisseling van zuurstof en koolzuur kan plaatsvinden. In rust ademt een duif ongeveer 30 maal per minuut, wat bij snelle beweging op kan lopen tot ongeveer 450 maal per minuut.

De organen van de duif

 

 

Longen, hart en bloedsomloop

Het hart en de bloedsomloop (De organen van de duif)

De organen van de duif

Het hart is een sterke spier die dienst doet als zuig perspomp. Het verplaatst het bloed, dat voedingsstoffen en zuurstof bevat, naar alle delen van het lichaam. Het hart is verdeeld in vier afdelingen, die weer verdeeld zijn in een linker- en een rechterkant die niet rechtstreeks met elkaar zijn verbonden. Het linkergedeelte zuigt het zuurstofrijke bloed van de longen op en transporteert het naar alle delen van het lichaam en de organen. Daar geeft het bloed de voedingsstoffen en zuurstof af en dan wordt het zuurstofarme bloed teruggevoerd naar het rechter gedeelte van het hart en doorgevoerd naar de longen, waar het koolzuur wordt afgegeven. Het hart van een duif pompt gemiddeld 240 slagen per minuut. Bij een grotere inspanning kan dit wel oplopen tot 400 slagen per minuut.

De lever (De organen van de duif)

De organen van de duif

De lever is het grootste orgaan in het duivenlichaam. Zij bestaat uit twee lobben. De kleur is bruinrood. De lever is een zeer belangrijk orgaan met een aantal belangrijke functies:

Het ontgiften van het bloed. Uit het bloed worden de schadelijke stoffen gehaald en omgezet in onschadelijke stoffen.
Het verwijderen van het ijzer uit de afgestorven bloedlichaampjes, zodat het weer gebruikt kan worden voor de nieuwe aanmaak van bloedlichaampjes.
Het vormen van een reserve aan koolhydraten en vitaminen. De suikers die eerst in de darm zijn afgebroken, worden in de lever weer opgebouwd tot glycogeen en in deze vorm opgeslagen.
De productie van gal. De galzuren zouten in de gal moeten in de darm de vetten oplossen, waardoor deze beter ontvankelijk worden voor de inwerking van enzymen.De duif heeft geen galblaas. De gal wordt rechtstreeks vanuit de lever in de darm gebracht en constant geproduceerd. Wanneer een duif lange tijd niet gegeten heeft, bestaat de groenere ontlasting uit pure gal.

De nieren (De organen van de duif)

Bij te veel afbraakstoffen in het bloed worden deze in de nieren gezuiverd en als urine afgevoerd naar de cloaca. Het vocht uit de urine wordt weer opgenomen in de bloedbaan, waarna de ingedikte afvalstoffen overblijven, die door het lichaam worden uitgescheiden als een witte pluim op de mest. Veel liefhebbers denken dat de witte pluim kalk is, maar het is niets anders als ingedikte urine.

Het vrouwelijke geslachtsorgaan (De organen van de duif)

De organen van de duif

Het vrouwelijke geslachtsorgaan bestaat uit een eierstok en een eileider. Op de eierstok bevinden zich 1000 tot 1600 ei follikels. Deze ei follikels zijn omgeven door een vlies, waarin zich de bloedadertjes bevinden die de ei follikels van voedingsstoffen voorzien en waarin de ei follikels kunnen groeien. Als een ei follikel tot een eicel volgroeid is, scheurt het vlies en komt de eicel vlak voor de trechter van de eileider.

Op dat moment kan de eicel bevrucht worden door de zaadcel en versmelten ei en zaadcel tot een kiemcel met dooier; deze wordt doorgevoerd in de eileider. De eileider bestaat uit vijf gedeelten, die elk een afzonderlijke functie hebben bij de vorming van het ei. In het eiwit vormend gedeelte wordt in ongeveer 3 uur het eiwit om de dooier gevormd. Na de eiwitvorming worden de beide eivliezen om het eiwit gelegd. Dit gebeurt in ongeveer 1 uur, waarna het bijna complete ei in het eierschaal vormend gedeelte komt, waarin het ongeveer 21 uur blijft voor de vorming va

n de eierschaal. Vandaar gaat het ei via de ei gang naar de cloaca. In ongeveer 25 uur wordt het totale ei geproduceerd. De tijdsduur tussen het leggen van het eerste en tweede ei bedraagt 43 tot 44 uur. Als de duivin nog geen rijpe ei follikel heeft, kan zij toch bevrucht worden door de doffer, zelfs 14 dagen voordat de ei follikel rijp is. Wel is het zo dat bij latere paringen de zaadcellen meer kans maken om door te dringen tot de eicel. De oudere zaadcellen zijn wat trager van beweging geworden. Ook kan de duivin nog bevrucht worden tussen het leggen van het eerste en tweede ei in.

Ten gevolge van ontstekingen van de eileider, die erg gevoelig is voor invloeden van buitenaf, wil de ei productie nog wel eens stagneren. Wat hiervan precies de oorzaak is, is meestal moeilijk te achterhalen. Ook komt het wel voor dat er geen schaalvorming plaatsvindt (windei). Hier kan mogelijk de oorzaak liggen in het feit dat de duivin te vet is, waardoor er vet gevormd wordt rond de eileider, die dan min of meer in elkaar gedrukt wordt. Dit heeft tot gevolg dat er geen normale schaalvorming kan plaatsvinden.

Zie ook:

 

Duiven Columbidae